Europa haalt opgelucht adem. Na stevige onderhandelingen in Beijing hebben China en de Europese Unie een akkoord bereikt over de import van Chinese hybride auto's. De verwachte toestroom wordt fors beperkt. Een handelsoorlog lijkt voorlopig afgewend.
Goed nieuws voor onze autofabrikanten, zou je denken.
Maar ik vraag me af of we hier niet iets heel anders in gang zetten.
En waarom zou je jarenlang investeren in nieuwe fabrieken, personeel en een Europees servicenetwerk als je ook een bestaande onderneming kunt overnemen?
China heeft het antwoord al klaar
Neem BYD, een van de grootste Chinese autofabrikanten. Het bedrijf ontwikkelt productiecapaciteit in Hongarije en zoekt actief naar bestaande fabrieken elders in Europa.
Ook Chery en andere Chinese fabrikanten zoeken samenwerking met Europese productiepartners.
Dat is geen toeval.
Al vóór dit handelsakkoord waren Chinese autofabrikanten op zoek naar Europese productielocaties. Nieuwe importbeperkingen en mogelijke Europese eisen voor lokale productie maken die strategie alleen maar aantrekkelijker.
Dat kan relatief eenvoudig beginnen met lokale assemblage van gedeeltelijk of volledig gedemonteerde voertuigen, de zogenaamde SKD- en CKD-productie.
De volgende stap? Meer onderdelen lokaal inkopen, productie verder uitbouwen en eventueel bestaande ondernemingen overnemen.
Overigens betekent assemblage in Europa niet automatisch dat een product ook een Europese oorsprong krijgt. Daar gelden afzonderlijke regels voor.
Maar het onderliggende principe blijft overeind.
Ons mkb en onze kmo's als overnamekandidaat?
Nederland en België beschikken over een indrukwekkend netwerk van gespecialiseerde industriële ondernemingen.
Machinebouwers, automotive-toeleveranciers, carrosseriebouwers, technische dienstverleners, logistieke ondernemingen en familiebedrijven.
Vaak ondernemingen met tientallen jaren ervaring, goed opgeleid personeel, hoogwaardige technische kennis en sterke relaties met klanten.
Precies de kwaliteiten waarvoor een buitenlandse investeerder anders jaren nodig heeft.
Waarom zou een Chinese fabrikant niet geïnteresseerd zijn in een Nederlandse machinebouwer, een Belgische carrosseriebouwer of een technische dienstverlener met een uitstekend Europees servicenetwerk?
En het hoeft niet eens te beginnen met een volledige overname. Een strategische samenwerking, minderheidsbelang of joint venture kan net zo goed de eerste stap zijn.
Of die belangstelling daadwerkelijk tot een brede overnamegolf onder kleinere bedrijven leidt, moet nog blijken. Maar de economische logica is duidelijk.
Maar is dat eigenlijk wel slecht?
Daar zit voor mij de echte discussie.
We maken ons zorgen over Chinese concurrentie. Tegelijkertijd hebben veel Europese mkb- en kmo-bedrijven behoefte aan investeringskapitaal, nieuwe afzetmarkten, schaalgrootte en opvolging.
Een Chinese investeerder kan precies dat meebrengen.
Nieuwe klanten, meer productie, werkgelegenheid en internationale groeikansen.
Maar er is ook een andere kant.
Wat gebeurt er met het ondernemerschap wanneer het familiebedrijf onderdeel wordt van een internationaal concern?
Blijft de beslissingsvrijheid bij de lokale directie? Waar komt de productontwikkeling terecht? Wat gebeurt er met de eigen bedrijfscultuur? En wie bepaalt straks welke leveranciers nog mogen leveren?
Een onderneming kan economisch sterker worden en tegelijkertijd een deel van haar zelfstandigheid verliezen.
Dat hoeft niet, maar die vragen verdienen wel een antwoord voordat de handtekeningen worden gezet.
En wij? Wat doen wij eigenlijk?
Hier wringt voor mij de schoen.
We kijken naar Brussel voor bescherming. Naar China als bedreiging. Naar importheffingen en handelsakkoorden als oplossing.
Maar ondertussen moeten onze eigen ondernemingen iedere dag concurreren.
Zijn we voldoende innovatief? Zijn onze bedrijven commercieel scherp genoeg? Geven we jonge mensen de ruimte om verantwoordelijkheid te nemen?
En durven we zelf internationaal net zo ondernemend te zijn als onze Chinese concurrenten?
Of zijn we zo druk bezig met het verdedigen van wat we hebben, dat we vergeten te bouwen aan wat we morgen nodig hebben?
Misschien moeten we minder energie steken in de vraag hoe we Chinese concurrenten buiten de deur houden en meer in de vraag hoe we zelf aantrekkelijk, onderscheidend en concurrerend blijven.
Niet alleen als leverancier. Ook als onderneming.
De EiWijzer
En misschien moeten we ons daar niet alleen zorgen over maken, maar ook serieus op voorbereiden.
Want een overname door een Chinese investeerder kan een bedreiging zijn. Maar evengoed een kans.
Het verschil zit in de voorwaarden, het ondernemerschap en de vraag wie uiteindelijk de koers bepaalt.
Dus, beste ondernemer: als morgen een Chinese investeerder bij je aanklopt met een aantrekkelijk bod, doe je dan de deur open? Of houd je hem liever dicht?
En misschien nog wel belangrijker: ben jij zelf sterk genoeg om aan tafel de voorwaarden te bepalen?
AI of Chinees?
We investeren volop in AI om onze concurrentiepositie te versterken. Terecht.
Maar als Chinese bedrijven straks niet alleen onze producten beconcurreren, maar ook onze fabrieken kopen, moeten we misschien óók iets anders leren.
Of toch maar allebei?
Want de toekomst laat zich niet tegenhouden door een importheffing.
Ei Openers | We drijven je op de spits.
Bronnen: Financial Times, 9 oktober 2026, over het handelsakkoord tussen de EU en China; Reuters, september 2026, over Chinese belangstelling voor Europese productiecapaciteit. Een mogelijke toename van Chinese overnames van Europese mkb- en kmo-bedrijven is een strategische verwachting, geen vastgesteld feit.